Factsheet toestand en ecologische sleutelfactoren (DIPS)

Hoofdlijnen

Beschrijving van het gebied en watersysteem op hoofdlijnen

Vaarten Amsterdam is een KRW-waterlichaam van grachten, vaarten en kanalen, dat onderdeel uitmaakt van de Amstellandboezem, in het centrum van Amsterdam. Waterhuishoudkundig gezien komen alle kleinere boezemwateren van de Amstellandboezem uiteindelijk uit bij de Amstel, die het water door de grachten van Amsterdam heen voert naar het IJ/Noordzeekanaal. In tijden van extreem veel water is het mogelijk om de Amstellandboezem af te sluiten van het Amsterdam-Rijnkanaal en het IJ/Noordzeekanaal. In deze situatie worden de sluizen van het IJfront en ARK-front gesloten en wordt gemaal Zeeburg aangezet. Gemaal Zeeburg bemaalt dan de Amstellandboezem, inclusief Amsterdam en voert het water via een hoogwaterbemalingsgebied af naar het IJmeer/Markermeer. Het water uit de hele Amstellandboezem wordt bij veel neerslag en een afgesloten IJfront door dit gebied met smalle grachten heen getrokken naar gemaal Zeeburg toe. Het waterlichaam Vaarten Amsterdam heeft naast zijn belangrijke functie in het waterbeheer ook een belangrijke functie als onderdeel van de stad. Er wonen en recreëren veel mensen op en aan het water.
Vaarten Amsterdam (NL11_2_1) heeft watertype “grote ondiepe kanalen met scheepvaart” (M6b) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 183 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
1000-EAG-1 (Stadsboezem Amsterdam, Oost), 1000-EAG-2 (Stadsboezem Amsterdam, West), 1000-EAG-3 (Stadsboezem Amsterdam, stad), 1000-EAG-4 (Stadsboezem Amsterdam, Zeeburg)
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Noord-Holland en gemeente(n) Amsterdam. Het waterlichaam Vaarten Amsterdam heeft de status KRW waterlichaam en is in eigendom van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht en Gemeete Amsterdam.

Ligging en beeld

Het ecosysteem ziet eruit als onderstaand beeld

Ligging waterlichaam

Ligging deelgebieden

Toestand

Ecologische analyse op hoofdlijnen

De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor Grote ondiepe kanalen met scheepvaart (M6b), met scores voor fytoplankton, macrofauna, waterflora en vis in het groen.

De huidige toestand vergeleken met de doelen –slecht
De toestand in Vaarten Amsterdam (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is slecht. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Ov. waterflora. De slechts scorende deelmaatlat van dit kwaliteitselement is Abundantie groeivormen macrofyten. De slechts scorende indicator van deze deelmaatlat is Soortensamenstelling macrofyten Waterplanten., De slechts scorende indicator van deze deelmaatlat is Bedekking Emerse planten., De slechts scorende indicator van deze deelmaatlat is Soortensamenstelling macrofyten Oeverplanten. Er bloeien geen algen in dit waterlichaam, maar de overige kwaliteitselementen zijn zeer slecht ontwikkeld. Er komen bijna geen waterplanten voor en de diversiteit aan fauna is laag. Het systeem staat wel in open verbinding met het Noordzeekanaal en de Amstellandboezem en is daarmee een overgang van zoet naar zout water. Hierdoor komen er wel een aantal brakwatersoorten vis voor. De score op de maatlat Fytoplankton vertoont een negatieve trend (-0.52 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Deze trend is gebaseerd op twee meetjaren. De score op de maatlat Waterflora vertoont geen trend. De score op de maatlat Macrofauna vertoont geen trend. De score op de maatlat Vis vertoont geen trend. Stikstof en chloride gaan achteruit in de laatste planperiode (2020 tov 2015), maar stikstof vertoont tussen 2006 en 2020 een dalende trend.

Oorzaken op hoofdlijnen
De oorzaak van deze slechte kwaliteit is de troebele toestand en morfologie van het waterlichaam. De grachten van Amsterdam zijn troebel, met alleen lokaal drijfbladplanten. Scheepvaart veroorzaakt opwerveling van slib. Hoewel er weinig algen bloeien in de grachten is het systeem wel voedselrijk. De kademuren zijn een harde overgang van land naar water waardoor er geen ruimte is voor een goed ontwikkelde oevervegetatie. Ook staat de geringe ondiepe zone in dit water onder druk door een toenemend aantal overkluizingen op het water, steigers, bootjes en woonboten. Het water is druk bevaren.

Maatregelen op hoofdlijnen
De maatregelen zijn gericht op het verminderen van de belasting van het water met voedingsstoffen en verontreinigingen, bijvoorbeeld door het aanpakken van ongezuiverde lozingen vanuit woonboten of vaartuigen en het verbeteren (of: verplaatsen) van het effluent van de rioolwaterzuiveringsinstallatie Amstelveen. Veel van deze maatregelen hebben vooral effect op de aanvoer van organisch materiaal (algen) naar de grachten van Amsterdam. De zuurstofvraag in de grachten zal daarmee afnemen en de waterkwaliteit verbeteren. Deze verbetering is echter minder goed zichtbaar in de ecologische kwaliteitselementen. Daarnaast zijn er ook maatregelen gericht op verbeteren van het lichtklimaat en de habitatomstandigheden, bijvoorbeeld door het aanleggen van natuurvriendelijke oevers en vaarluwe zones.

Toestand

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Ecologische sleutelfactoren

Ecologische sleutelfactoren

esficon Productiviteit water vormt een probleem. Het systeem is vrij hoog belast met voedingsstoffen. Er komen echter niet overal algen voor. De algenconcentratie is laag in het centrum van het waterlichaam (1000-EAG-1). De reden hiervoor is niet bekend. De verblijftijd van het water is lang genoeg voor algen om zich te kunnen ontwikkelen. Doodlopende en stilstaande wateren in de buurt van overstorten zijn gevoelig voor algenbloeien. De Amstel is de grootste bron van nutriënten.
esficon Lichtklimaat vormt een probleem. De waterdiepte varieert tussen de 1.4 meter en 2.90. Bij deze waterdiepte valt er onvoldoende licht op de bodem voor onderwaterplanten om te groeien. Dit komt door aanvoer van zwevend stof en humuszuren vanuit de Amstellandboezem en door opwerveling van de waterbodem door scheepvaart. Ook is er een hoge fosfaatconcentratie aanwezig waardoor er veel perifyton groeit, wat de omstandigheden voor planten verder bemoeilijkt. De verticale extinctie schommelt tussen de 1.4 en 4.1 per meter.
esficon Productiviteit bodem is onbekend. Wel is bekend dat de waterbodem waarschijnlijk niet tot een grote zuurstofvraag leidt in het water.
esficon Habitatgeschiktheid vormt een probleem om dat er weinig plekken zijn waar ondergedoken waterplanten en oeverplanten zich kunnen vestigen. Daarmee is er ook weinig habitat voor vis en macrofauna.
esficon Verspreiding vormt geen probleem. De doelsoorten zijn in de omgeving aanwezig en kunnen er ook komen.
esficon Verwijdering vormt geen probleem op het moment. Echter, wanneer de omstandigheden voor planten verbeteren kunnen kreeften, die veel voorkomen in Amsterdam, het herstel van vegetatie belemmeren.
esficon Organische belasting vormt mogelijk een probleem. In het meest noordelijke stuk van de Amstel is de zuurstofvraag groot door organische belasting vanuit de RWZI Amstelveen en het stedelijk gebied van Amstelveen. Ook vormen bomen langs de grachten mogelijk een probleem, net als bladeren die door onderhoudsploegen in het water worden geblazen.
esficon Toxiciteit vormt een probleem. Het aantal vervuilingslocaties in Amsterdam is groot en metingen in dieren en planten laten overschrijdingen van de toxische druk zien.

Bron

Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en Boezemplan 1.0 (2019).

Maatregelen (R)

SGBP 1 en 2 maatregelen die (deels) zijn uitgevoerd

SGBP 1 en 2 maatregelen in planvorming

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn gefaseerd

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn ingetrokken of vervangen

Nieuwe maatregelen voor SGBP3 tov totaal aantal maatregelen

Maatregelen

ESFoordeel SGBPPeriode Naam Toelichting BeoogdInitiatiefnemer UitvoeringIn
esficon SGBP3 2021-2027 Maatregelen in de landbouw om nutriëntenbelasting op de waterlichamen te beperken Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Agrarisch waterbeheer en Waterdiepte op maat. De maatregel is relevant voor dit waterlichaam, omdat er veel agrarische polders naar de boezem afwateren. Precisiebemesting, bodemverbetering en routemaatregelen (bufferzone) zijn maatregelen die opgenomen zijn in agrarische beheerpakketten, investeringssubsidies. We gaan samen met de landbouw een nieuwe stimuleringsregeling voor bovenwettelijke maatregelen nutriënten faciliteren. Vrijwillige maatregelen worden geagendeerd door een watermakelaar en gepresenteerd in studieclubs. Op https://maatregelen-op-de-kaart.nmi-agro.nl/ kan per perceel worden opgezocht welke maatregelen het best uitvoerbaar en nuttigst zijn. Wij zijn regionaal uitgegaan van de goede landbouwpraktijk (GLP) in 2027. De uitworp uit een landbouwpolder neemt daardoor 10% af, voor een belangrijk deel door een grotere retentie door een grotere waterdiepte (meer slootonderhoud) en een afname van meststofverliezen. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Amoveren / verbeteren zuivering Amstelveen Verminderen belasting met nutriënten uit de RWZI Amstelveen. Dit is een automome maatregel uit het masterplan zuiveren. Voor de waterkwaliteit van de Amstel heeft amoveren het grootste effect en uit de variantenstudie Amstelveen blijkt het kosteneffectief (relatief kostenneutraal als exploitatiekosten worden meegenomen) om te amoveren ipv te renoveren. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Beperken van ongezuiverde lozingen door rondvaartboten / de recreatievaart Dit kan door het aanleggen van een milieuservicepunt, waar boten hun vuilwatertanks kunnen legen en door intensiveren van handhaving. We stemmen met gemeente Amsterdam, als vaarwegbeheerder, af hoe deze maatregel opgepakt kan worden. 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Verbeteren P-belasting Noorder Amstelkanaal Dit kan door het verbinden van het Noorder Amstelkanaal aan de Schinkel of door verbeteringen in het rioolstelsel (b.v. het lozingspunt verplaatsen en berging toe laten nemen) Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP2 2015-2021 Aansluiten ongerioleerde woonboten Het gaat om het aansluiten van ongeveer 2300 ongerioleerde woonboten in de watergangen binnen de gemeente Amsterdam. Het gaat om de afronding van de maatregel uit de SGBP 1-periode. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
SGBP2 2015-2021 Omleiden / scheiden waterstromen Amstellandboezem Voorheen: Aanleggen schoonwaterkering Kromme Mijdrecht. Deze maatregel wordt genomen in de Amstellandboezem, maar heeft ook positief effect voor Vaarten Zevenhoven en Tussenboezem Vinkeveen a en b. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2020
SGBP1 2009-2015 Aansluiten ongerioleerde woonboten Het gaat om het aansluiten van ongeveer 2300 ongerioleerde woonboten in de watergangen binnen de gemeente Amsterdam Gemeente Amsterdam 2009-2015
esficon SGBP3 2021-2027 Verminderen van overstorten en foutieve aansluitingen Door het verminderen van overstorten en foutieve aansluitingen in het rioolstelsel en door bladval te voorkomen, vermindert de baggeraanwas aanzienlijk. Op termijn levert dit een grote besparing in onderhoudskosten op. Gemeente Amsterdam 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Zoneren vaarbewegingen grachten, luwtezones in 20% van begroeibaar areaal In scheepvaartluwe zones wordt de groei van waterplanten niet geremd door opwervelend slib. We stemmen met gemeente Amsterdam, als vaarwegbeheerder, af hoe deze maatregel opgepakt kan worden. 2021-2027
esficon SGBP3 2021-2027 Aanleggen van natuurvriendelijke oevers Aan de gemeente vragen wij om bij herinrichting van de openbare ruimte en/of onderhoud aan oevers deze waar mogelijk natuurvriendelijk in te richten. Dit kan bijvoorbeeld door vooroevers aan te leggen om luwte te creëren en zo de vegetatie te beschermen tegen golfslag. Het is van belang om geen struiken en bomen in de oeverzone te planten om bladval in het water te voorkomen. We stemmen met gemeente Amsterdam af hoe deze maatregel opgepakt kan worden. 2021-2027
SGBP1 2009-2015 Onderzoeken optimalisatiemogelijkheden doorspoelregime Een onderzoek naar de mogelijkheden om het doorspoelregime van het Amterdamse grachtenstelsel te optimaliseren Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
SGBP1 2009-2015 Toepassen ecologisch onderhoud oevers hoofdwateren - fase 1 Een gebiedsbrede maatregel in alle waterlichamen Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
esficon SGBP3 2021-2027 Toepassen van ecologisch onderhoud en baggeren van hoofdwateren Natuurvriendelijk onderhouden is meestal gericht op niet méér verwijderen dan noodzakelijk is. Dus het beheer aanpassen als er te weinig vegetatie is zodat flora en fauna zich kunnen herstellen. Bij alle hoofdwatergangen van ons gebied is beoordeeld welke uitvoeringsmethode we kunnen en willen uitvoeren. In veel watergangen kan 25% van de vegetatie blijven staan. Vanwege ruimtegebrek is het niet mogelijk om overal 25% te sparen. Deze maatregel is opgenomen voor alle waterlichamen waar dit relevant is. Hoewel er voldoende emerse vegetatie aanwezig is op de schaarse plekken waar dit mogelijk is, kan deze maatregel de ecologie lokaal verder versterken en achteruitgang voorkomen. Bij het baggeren zal, waar mogelijk, de oevervegetatie worden gespaard en bij de uitvoering zal worden gekozen voor meer natuurvriendelijke technieken. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027

Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.

Toelichting en onderbouwing ESF-en, monitoring en begrenzing

Motivering KRW status en herbegrenzing

Een deel van het waterlichaam past ecohydrologisch gezien beter bij de Amstellandboezem. Het Noorder Amstelkanaal, Zuider Amstelkanaal gaan van Vaarten Amsterdam af en worden aan de Amstellandboezem toegevoegd. Daarnaast is het waterlichaam verkleind door excluderen sportpark Multatuli, uitstroom gemaal Zeeburg, omdat deze deelgebieden een ander watertype hebben en onder invloed van andere drukken staan.

Monitoringswensen

In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Fytoplankton wordt 1 keer per 6 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam.

Indicatoren ESF

ESF 1: Productiviteit

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

ESF 2 en 4: Lichtklimaat en waterdiepte

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

ESF 1 en 3: Waterbodem

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Brondata: water- en stoffenbalansen

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma`s fysisch-chemie en hydrobiologie

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma waterbodemchemie

EKR scores op alle deelmaatlatten in de tijd

Begrippenlijst en afkortingen

Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.

Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.

Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.

Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.

Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.

GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.

EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.

KRW Kaderrichtlijn water

N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).

EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.

Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.

Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.

Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.

Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.

GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.

SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.

Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.